Zoeken
For the Future of Farming
MelkefficiƫntQuick FitFeed2MilkAgroscoopVoertaal Melkvee

12-05-2017

Fosfaatreductieplan melkvee definitief

Het fosfaatreductieplan Melkvee, waarin de GVE-reductie is geregeld, gaat definitief in per 1 maart 2017. Met dit plan moet de melkveestapel terug naar de peildatum 2 juli 2015 minus 4%, met uitzondering van grondgebonden bedrijven.

Wat zijn de gevolgen voor uw bedrijf
Hieronder vindt u de belangrijkste uitgangspunten van het definitieve fosfaatreductieplan. Daarnaast heeft ForFarmers een rekenprogramma ontwikkeld dat u snel inzicht geeft in de (financiële) gevolgen van de nieuwe regelingen voor uw bedrijf. Dit rekenprogamma is begin mei geactualiseerd n.a.v. de laatste aanpassingen in de GVE-reductieregeling van 28 april.

Achtergronden regelingen fosfaatproductieplan

Niet-melkleverende bedrijven
Niet-melkleverende bedrijven zijn vrijgesteld van het GVE  reductieplan.

In 5 perioden naar referentieaantal
Melkproducerende bedrijven die meer GVE hebben dan het referentieaantal op 02-07-2015 (minus 4% extra voor niet grondgebonden bedrijven), moeten in 5 perioden terug naar het referentieaantal. In periode 1 (maart/april) moet 5% van het aantal GVE’s zijn gereduceerd; voor periode 2 (mei/juni) geldt een reductiepercentage van 10% en voor periode 3 (juli/augustus) komt het percentage neer op maximaal 20%. Voor de periode 4 en 5 (september t/m december) geld een maximale reductie van 40%, dit percentage wordt vastgesteld aan de hand van het verloop van de reductie gedurende het jaar.

  • Let op: berekening boete over periode GVE-reductieregeling
    De eerste periode van de regeling betreft de maanden maart en april. Voor de eerste periode geldt dat alleen over de tweede maand van deze periode (dus april) een boete kan worden opgelegd als het gemiddeld aantal GVE's in die maand te hoog is. De tweede periode betreft de maanden mei en juni. Ook voor de tweede periode geldt dat alleen over de tweede maand van deze periode (dus juni) een boete kan worden opgelegd als het gemiddeld aantal GVE’s in die maand te hoog is.  Vanaf 1 mei  moet rekening worden gehouden met het jongveegetal. Voor de volgende periodes geldt wel dat de eventuele boetes over beide maanden uit een periode worden berekend.


Jongveegetal
Voor elk melkproducerend bedrijf zal een jongveegetal worden bepaald op basis van de aanwezige dieren op 28 april 2017. Dit jongveegetal legt de verhouding vast. Het gaat om de verhouding tussen het op het bedrijf aanwezige jongvee (vrouwelijk vee tot één jaar en ouder dan één jaar maar nog niet afgekalfd) en het aantal afgekalfde koeien. Afvoer van jongvee telt alleen mee als reductie, indien naar verhouding (in GVE) een gelijk aantal afgekalfde koeien wordt afgevoerd. Wanneer de verhouding jongvee en koeien die hebben afgekalfd verandert als gevolg van een beperktere hoeveelheid jongvee, zal bij het berekenen van het maandgemiddelde (in GVE) op het bedrijf wordt uitgegaan van het jongveegetal en dus niet van het daadwerkelijk aantal jongvee (zie berekening in Excel programma van FF, link hierboven).

Afvoer van koeien die hebben afgekalfd op een melkproducerend bedrijf kunnen worden afgevoerd naar een niet-melkproducerend bedrijf. Om deze koeien te laten meetellen in de reductie, moet aan de voorwaarde worden voldaan dat deze dieren niet binnen vier maanden terugkeren op hetzelfde melkproducerende bedrijf. Indien deze dieren binnen vier maanden terugkeren tellen deze niet mee als reductie. Dit maakt afvoer voor bijvoorbeeld vetweiden of vetmesterijen mogelijk.

Criterium grondgebondenheid
Een melk producerend bedrijf is grondgebonden indien het in 2015 met melkvee niet meer fosfaat produceerde dan de plaatsingsruimte in 2015. De plaatsingsruimte van 2015 wordt bepaald  volgens de gecombineerde opgave. De fosfaatproductie is forfaitair berekend: een rund dat minimaal één keer heeft gekalft produceert altijd 41.3 kg fosfaat per jaar. De melkproductie speelt hierbij geen rol. Een kalf (jonger dan 1 jaar) produceert 9.6 kg fosfaat per jaar een pink produceert 21.9 kg fosfaat per jaar. Omdat de wijze van berekenen is veranderd kan het zijn dat u in tegenstelling tot een eerdere berekening wel of niet meer grondgebonden bent.

Geldsommen en bonussen
Indien een melkproducerend bedrijf  in de maand de doelstelling (GVE’s op 01-10-2016 minus reductiepercentage) niet behaald wordt er een geldsom in rekening gebracht. De hoogte van de geldsom bedraagt 240 euro per GVE dat overtollig is ten opzicht van het referentieaantal. Zolang bedrijven wel voldoende dieren verminderen op basis van de reductiedoelstelling voor een periode, maar nog boven hun referentie-aantal zitten, betalen zij een zogeheten solidariteitsheffing van 56 euro per boventallige GVE per maand. Met andere woorden: zolang een veehouder nog boven het referentie-aantal zit, blijft het hem maandelijks geld kosten. Melkveehouders die minder dieren houden dan hun referentie, krijgen over de eerste drie perioden een bonus van maximaal 60 euro per 'ondertallige' GVE en over de vierde en vijfde periode een bonus van maximaal 150 euro per stuks GVE onder de norm. Let op dat u dan het formulier “de-minimus steun”  in moet vullen!  Dit is te downloaden in de Portal van uw zuivelonderneming (o.a  Melk-Web en Z-Net). Als dit formulier niet is ingevuld ontvangt u geen bonus.